Skûtsje

Wat is een skûtsje?

Skûtsje is de oorspronkelijke Friese benaming voor een tjalkachtig schip bestemd voor de vrachtvaart onder zeil, met name gebouwd in Fryslân voor de noordelijke binnenwateren. Oorspronkelijk was het de benaming voor een veerscheepje van zo’n 10 tot 14 meter en een laadvermogen van 10 tot 20 ton. Deze skûtsjes onderhielden meestal een vaste dienst tussen een dorp van herkomst en een bepaalde stad of een aantal steden waar een belangrijke markt was, zoals in Leeuwarden, Sneek en Bolsward.
Deze vroegere skûtsjes verschilden op een aantal belangrijke punten van de onze. Ze hadden een ronde luikenkap in plaats van de tegenwoordige platte, ze hadden een stuurkuip (bollestâl) in plaats van ‘ons’ vaste achterdek en tenslotte hadden ze een zgn. vissermansroer: de helmstok viel over de kop van het roer en die kop stak boven de achtersteven uit.

Na 1900 werden de ‘kleine en oude’ skûtsjes langer, ze konden dus meer vracht meenemen (dit varieerde van zo’n 15 tot 35 ton), maar wat veel belangrijker was: ze werden voorzien van een vast achterdek, een gewoon tjalkenroer en een platte luikenkap. Zo was het huidige ‘nieuwe’ skûtsje geboren. De naam werd nu algemeen gebruikt voor grotere schepen, tot ongeveer 55 ton, rond 20 meter lengte en 4 meter breedte. De holte werd beperkt, tot maximaal 1,28 m

Skûtsjes zijn in de jaren 1889-1933 in zgn. staalijzer gebouwd voor de beurt- en vrachtvaart op vaarten, kanalen en op de grote meren in de Zuidwesthoek. Maar ook op de Zuiderzee werd er mee gevaren.